Zomer in 100 woorden

De stad zindert en zucht en kreunt onder de hitte. Gillende kinderen spelen in de fontein en lachende volwassenen zitten veilig in de schaduw. Rinkelende fietsbellen en toeterende auto’s, maar al wat ik hoor is jouw zoete gezang. Blote tenen in flipflops en grote zonnebrillen, maar al wat ik zie zijn jouw handen op je gitaar. Drankjes met veel ijs en ijsjes met veel smaken, maar al wat ik proef is jouw zilte zoen. Je kijkt me recht aan en laat niet toe dat ik wegkijk. Ogen die zeggen dat het tijd is, tijd om gebroken harten achter te laten.

Insomnia, deel 10

Het gerinkel van mijn gsm maakt me wakker. Ik lig op de bank en de TV staat aan. Het is Sofie. Ik neem op met een schorre hallo. Ze klinkt ook schor en een beetje in paniek. Ze is net thuis gebracht door de dertigjarige waarmee ze de nacht doorbracht. Ik lach en zeg dat dit wel kan tellen als rebound. Ze denkt dat hij haar echt graag mag, maar dat ze niets kan aanvangen met een jonge gast. Ik zeg dat ze hem dat gerust rechtuit kan zeggen. Hij is dertig, geen twaalf.

Ik vraag of hij zijn eitje met soldaatjes heeft gehad voor ontbijt, met een glaasje melk. Ze lacht en ik hoor dat ze ontspant. Ik vertel van mijn nachtelijke bakavontuur en dat ik uiteindelijk toch nog voor de TV in slaap ben gevallen. Ze zegt dat ik me geen zorgen moet maken. Waarom zou Sam me niet leuk vinden? En dat ik het hem gewoon rechtuit kan vragen. Hij is vijftig, geen twaalf.

Het is middaguur, een verrekt laat uur om aan de dag te beginnen. Insomnia, feestjes. Het heeft geen gunstig effect op me. Ik raap mezelf samen om te douchen en me te fatsoeneren. Ik neem mezelf voor om van de rest van de dag nog iets te maken. Ik ga sowieso broodpudding brengen naar de bovenburen. En naar Sam. “Samuel”, zeg ik luidop en hoop dat niemand het hoort.

Ik geef de broodpudding aan de buren en het voelt een beetje raar. Ik voel me betrapt. Alsof ik weet dat zij weten dat mijn gastvriendelijkheid is omdat ik weet dat zij weten dat ik slaapwandel. Dat ik nu wil bewijzen dat ik eigenlijk echt wel gewoon heel normaal ben. Ze bieden me een koffie aan en wijzen naar het nieuwste model koffiemachine. ‘Nespresso’ staat erop. Ik bedank beleefd onder het mom van een drukke dag.

Maar eigenlijk sta ik te popelen om de andere helft broodpudding naar Sam te brengen. Ik loop in een hupje de trap af naar mijn flat, spurt de keuken in, grijp de in aluminium verpakte pudding en sta in een recordtempo terug aan de voordeur. En dan bevries ik. Mijn linkerhand op de deurklink, mijn andere rond het aluminium pakketje.

Wat als hij me niet leuk vindt? Wat als ik hem afschrik? Wat als er iemand anders is? Mijn gedachten gaan alle kanten op en mijn lichaam doet het tegenovergestelde; het verstijft. Ik zie de knokkels van mijn linkerhand wit worden en ik voel de broodpudding verpulveren in mijn rechterhand.

De bel gaat. Zonder na te denken neem ik de parlofoon op en de andere kant zegt: “Hoi, ik ben het”. Ik herken Sams stem en ik druk op de knop om de deur te openen.

Of ik mee wil gaan wandelen met de hond. Misschien ergens buiten de stad, een frisse neus halen. En dat we best wel goed schoeisel kunnen aandoen, na de regenbui van vannacht. Hij was wakker geworden van het stormachtige weer. En had nog aan me gedacht en gehoopt dat ik droog en veilig thuis zou geraken na het feest. Ik leg het pakketje broodpudding terug in de keuken en hoop dat ik straks nog de helft ervan kan redden.

Insomnia, deel 9

In de taxi op weg naar huis denk ik aan het diner met oesters en kreeft. Ik denk aan de groep vrienden die is afgezakt naar de club en hoe goed de beats waren. Dat je van laarzen die als gympen zitten ook vermoeide dansvoeten krijgt. En dat het toch even wennen is dat Mathieu, de ex van Sofie, er nooit meer bij zal zijn.

Het begint te regenen. Met bakken uit een zwarte hemel. Van een topavond naar strontweer. Ik vraag me af of Sam ergens droog binnen zit? Of loopt hij nu door de regen naar huis? Ligt hij in een warm bed? Schenkt hij nu een andere vrouw een glas wijn in? Denkt hij aan mij of aan iemand anders?

Eigenlijk is het goed dat we geen nummers hebben uitgewisseld. Ik moet me niet afvragen of ik als eerste moet sms’en. En wat ik dan precies moet sms’en. Ik moet niet checken of er een antwoord komt en ik kan niet teleurgesteld zijn als er geen komt. En wat als hij wel antwoordt, maar er staat geen kruisje op het einde van het bericht. Wat dan?

En toch blijft het hangen in mijn hoofd. Waarom vroeg hij mijn nummer niet? Waarom kuste hij me op de wang? Waarom vroeg hij niet wanneer we elkaar terugzien? Waarom bleef hij vaag over zijn plannen voor de avond? Vindt hij me echt leuk of beeld ik het me in? En als hij me leuk vindt, hoe oprecht zijn z’n intenties?

Als ik uit de taxi stap, kijk in naar het huis van Sam. Het is er donker. Mijn huis ook. De hipsters zijn vast in dromenland, het zijn geen nachtbrakers. De postbode komt niet op zaterdag, maar toch kijk ik in mijn brievenbus. Ik hoop op een briefje van hem. Ik vind alleen een flyer van de pizzatent verderop in de straat.

Van zodra ik in mijn hal sta, trek ik mijn laarzen en sokken uit. Ik masseer de ballen van mijn voeten en zie dat de netelbultjes weg zijn. Op blote voeten, stap ik richting terrasdeuren en trek het gordijn een beetje weg. Net genoeg zodat ik er tussen kan. Ik duw mijn gezicht tegen het raam. Het glas voelt koud aan mijn neus en mijn adem maakt wolkjes op het patroon van regendruppels. Behalve de weerspiegeling van het licht binnen, zie ik niets.

Na het avondritueel van tanden poetsen, make-up verwijderen en crèmes smeren, stap ik met vermoeide voeten en een bezorgd hoofd mijn bed in. Ik probeer de vrolijkheid van de avond terug te roepen. Het gebabbel van Bianca, het gelach van Sofie, het dansen met Hendrik. Ik probeer de zorgen die zich in mijn hoofd hebben gevormd los te laten. Ik weet dat ik invullingen maak die nergens op zijn gebaseerd, maar het is sterker dan mezelf. Ik draai en woel en kan de slaap niet vatten. Na een uur heb ik er genoeg van en ik stap uit bed.

Ik loop in het donker naar de keuken en doe enkel het lampje van de dampkap aan. Ik neem melk en vier eieren uit de koelkast. Suiker en rozijnen worden afgewogen en kaneel klaargezet. Brood en croissants worden in stukjes getrokken. De oven wordt voorverwarmd. Ik maak broodpudding, met glazuur bovenop en een beetje wak van binnen, zoals broodpudding hoort te zijn.

Insomnia, deel 8

Het is eigenlijk nog geen terrasjesweer, maar Sofie staat erop om buiten te aperitieven. Roker. Ik begrijp haar, want ik ben het ook lang geweest. We vinden nog een tafeltje voor vier, net onder een terrasbrander. We hebben geluk, maar dat hebben we meestal. What goes around, comes around, daar geloven we in.

Er wordt witte wijn besteld en ik vraag een glas met extra ijs. Ik hou van extra ijs in mijn wijn. Not done volgens de kenners, maar ik ben geen kenner. Er worden ook aperitiefhapjes besteld en een fles water, voor de schone schijn. Het wordt een avond van eten, drinken en dansen. En ook van babbelen en lachen.

Sofie is net veertig en net gescheiden. Ze viert vanavond beiden. Het Sint-Goriksplein werd speciaal gekozen als startplek voor het feest. Ze ontmoette hier tien jaar geleden haar nu ex-man. Op haar 30ste verjaardagsetentje. Hij zat twee tafeltjes verder. Tien jaar samen, acht jaar getrouwd, vijf dagen gescheiden. De cirkel is rond.

Ik ben dus niet meer de enige vrijgezel aan tafel. Daarom is er potentieel voor een verdubbeling van de grappige datingverhalen, merk ik fijntjes op. Grote hilariteit, niet in het minst van Marieke en Bianca. Beiden zijn al lang gelukkig met hun respectievelijke mannen, maar ze genieten zo van de happy single verhalen. En nu zijn we dus met twee.

Ze houden het vol tot de tweede fles vooraleer ze me de vraag stellen. Hoe het in singleland is? Ik had me voorgenomen niets te zeggen over Sam. Omdat het er niet de juiste plek voor is, noch het moment. Omdat ik het zelf nog niet goed kan verwoorden. Omdat ik het eerst onder twee ogen tegen Sofie wil vertellen, die heeft altijd een goede kijk op dit soort dingen. Ik zeg hen dat er helaas niets bijzonders te vertellen valt, maar mijn gezicht heeft me verraden en ze laten niet los.

Ik vertel over mijn slaapwandeling, over mijn blote voeten en de brandnetels, over Sam die me kwam redden. Dat hij ruikt naar leder en kaneel, dat hij leraar is en heel zelfzeker. Ik vertel over het litteken boven zijn oog, dat het lijkt op een fijn wit draadje dat daar door de wind is neergelegd. Over de schetsen aan de muur en dat hij me wil leren eten met chop sticks. Dat de knuffel heerlijk was en dat ik niet goed weet wat ik moet denken van de kus op de wang.

Ze verzekeren me dat er niets mis is met de kus op de wang. Een ook niet met het feit dat we geen nummers uitwisselden. “Jullie zijn buren, jullie vinden elkaar heus wel.” Sofie denkt dat ze Sam eens zag toen ze op bezoek kwam bij mij. Ze meent zich een grote man met grijze krullen te herinneren. Lekker is het woord dat haar te binnen schiet en ze laat de ‘r’ lang rollen als ze het zegt.

En dan gaat het gesprek over naar Koen, de vriend van Bianca, die het moeilijk vindt dat hij kaal wordt. En dan gaat het vandaar verder naar de drukte op hun architectenbureau en dan over de jongste van Marieke van wie ze net ontdekt hebben dat hij dyslexie heeft. Dan volgen weer luchtigere thema’s als de nieuwste reeks op Netflix en dat we lak hebben aan diëten. Als Sofie haar oog valt op een knappe man twee tafels verder, kan de pret niet op.

Insomnia, deel 7

De namiddag verloopt in een roes. Ik probeer het me voor de geest te halen: zijn gezicht, onze gesprekken. De woorden, de zinnen. Ze komen en gaan in flarden, maar niet duidelijk genoeg om het te kunnen opslaan. Soms hoor ik zijn diepe stem of hese lach en dan ruik ik weer leder en kaneel.

Ik moet mijn gedachten verzetten. Afleiding zoeken. Ik zet wat muziek op en beslis om papierwerk te doen. Facturen opmaken, rekeningen betalen, planning afwerken. Het lukt voor geen meter. De cijfers dansen voor mijn ogen. Na een half uur geef ik het op.

Ik zet de muziek af, pak mijn boek en pik de draad weer op waar ik die gisteren heb dichtgeklapt. Ik lees pagina 65 en dan een tweede keer. En dan nog eens. Er blijft niets hangen. Mijn gedachten gaan alle kanten op, behalve naar het boek. Ik klap het terug dicht op pagina 65 en leg het neer.

Veel vroeger dan nodig neem ik een bad. De hele rimram: kaarsjes, badschuim, muziekje. Terwijl het water loopt, kies ik mijn kleren uit voor het verjaardagsfeest van vanavond. Iets gemakkelijk, want we gaan de hort op. Iets vrouwelijk, want we gaan de stad in. Altijd leuk en zeker vanavond, want Sofie wordt 40. Jasses, wat vliegt de tijd.

Het bad is bijna tot de rand gevuld met water en schuim als ik erin stap. Het geurt heerlijk en stoomt rijkelijk. En nu? Relaxen, proberen te relaxen. Ik leg mijn hoofd op de rand van het bad en staar voor me uit. Mijn oog valt op een stuk groezelige muur, net boven de verwarming. Misschien moet de badkamer een nieuw laagje verf krijgen? De radiatoren moeten ook eens ontlucht worden. En de magneten van de kastjes in de woonkamer doen het ook niet goed meer.

Ik betrap mezelf op de ouderwetse gedachte dat een man in huis toch handig is. OK, ik huur gewoon een klusjesman in en die fikst dat allemaal zonder veel poeha. Maar het lijkt me ook fijn ’s ochtends te zeggen: “Schat, de douchekop lekt” en ’s avonds thuis te komen en te merken dat die niet meer lekt. Een heerlijke ouderwetse gedachte.

Ik neem de tijd om me aan te kleden en make-up aan te brengen. De jeans die ik had klaargelegd zit vandaag niet lekker. Dus ik trek die van daarstraks terug aan. Maar daar past het gekozen topje niet bij, dus moet dat ook wat anders worden. Ik trek mijn laarzen aan die zitten als gympen. Bijna. Want laarzen zijn nog altijd laarzen en geen gympen. Wat foundation en twee lagen mascara. Ringen, oorbellen, polshorloge en klaar. Er rest me enkel nog het inpakken van het cadeau.

Ik heb het mezelf gemakkelijk gemaakt en een stuk uit mijn eigen brocante collectie gekozen. Sofie heeft de art deco handspiegel eens gezien en was er meteen weg van. Hij lag bovenop een doos met een aantal andere stukken uit de jaren ‘20. Klaar om te leveren aan een etalagist, voor een schoenenwinkel die een collectie vrouwenschoenen wilde etaleren, geïnspireerd op de roaring twenties.

Ik kijk nog even mijn make-up na, doe wat parfum op, pak het cadeau en trek de deur achter me dicht. Ik wandel richting tramhalte en wuif naar de hipsters, die net de Turkse bakker uitkomen. Stiekem hoop ik Sam tegen te komen, maar dat gebeurt niet.

Insomnia, deel 6

Het ontbijt is niet alleen fancy, maar ook lekker. En gezellig. Ik vertel hem dat ik niet hou van rozijnen in ontbijtkoeken, maar wel in brood. Meer zelfs, dat ik getoast rozijnenbrood met gezouten boter en oude kaas heerlijk vind. En dat ik koffie vooral drink voor de geur. Dat sushi mijn lievelingskost is, maar ik nog steeds niet goed met chop sticks kan eten.

We scheuren wat stokbrood in stukjes en ik zoek wat chop sticks. Hij komt dicht bij me zitten, breekt de stokjes van elkaar en geeft er twee aan mij. Hij toont me de kneepjes en samen doen we de handelingen. We doppen oostersgewijs de stukjes stokbrood in ons zachtgekookt ei. Ik blijk er echt niet behendig in te zijn. Tot zijn hilariteit. Want diegene die het eerste stukje brood laat vallen, moet de afwas doen.

Hij vertelt dat hij heel graag op reis wil naar Japan. Dat de cultuur hem enorm boeit, maar de angst voor het vliegen hem tegenhoudt. Al zijn reizen zijn per auto of per trein, maar dat hij de beperking ervan beu is. Op mijn vraag waar de vliegangst vandaan komt, trekt hij zijn schouders op en verandert hij van onderwerp.

Terwijl hij de foto’s en aandenkens op de flank van mijn ijskast bekijkt, ruim ik de tafel af. Er is nog een half stokbrood over en twee croissants. Daar doe ik later nog wat mee. Ik maak een behoorlijk lekkere broodpudding. Dan breng ik morgen een stuk naar Sam. En misschien ook naar de hipsters.

Hij wijst een paar foto’s aan en ik vertel wie en waar. Over de foto’s die gevoelig liggen, de foto’s die gepaard gaan met de grote emoties, vraagt hij niets. Ik weet niet hoe hij dat weet, maar ik vind het best zo. Hij haalt er mijn moeder en vader uit en ik vertel dat het de enige foto is die ik heb van hen samen. Dat ze zijn gescheiden toen ik heel jong was.

Ik vraag naar zijn ouders en hij zegt dat ze zijn overleden, lang geleden. Zijn houding en toon geven weinig weg. Ik kan niet lezen of ik verder moet vragen of net niet. Ik kies voor het laatste. Veilig. Hij stapt weg van de ijskast, weg van mijn verleden. Ik ben hem een beetje kwijt. Misschien had ik toch moeten vragen naar zijn ouders. Zat ik zijn woorden in de weg? Hoe komen we van stokbrood eten met chop sticks bij de dood?

In stilte doe ik de afwas. Er raast van alles door mijn hoofd, maar ik hou het voor mezelf. Ik moet nu vooral niet gaan ratelen en kwaken. Hij is in gedachten verzonken en stapt mijn terras op. Het moment dat hij zijn eerste voet buitenzet, begint zijn hond te blaffen. Die snapt niet wat zijn baasje aan de andere kant van de afscheiding doet. Sam stapt op zijn hond af en kalmeert hem.

Hij komt terug binnen en zegt dat hij moet gaan. Naar zijn hond en andere dingen. Dingen te doen. Hij geeft me een kus op mijn wang en knipoogt. De vraag waarvan het litteken rond zijn oog komt, brandt op mijn lippen. Maar ik vraag niets en geef hem zijn pantoffels terug.

Insomnia, deel 5

Ik sta in de gang. Mijn eigen gang, van waaruit gisteren mijn slaapwandeltocht begon. Ik druk mijn rug hard tegen de muur en wacht tot de koude me doet rillen. De haren in mijn nek gaan rechtop staan. Zo koud voelt het. Of is het omdat hij zo meteen aan mijn deur staat, met goede bedoelingen en een zak croissants?

Ik probeer wat er is gebeurd op een rijtje te zetten. Wat is er gebeurd: vanaf het moment dat ik wakker werd op blote voeten in een netelveld tot zonet, toen ik zijn pantoffels uitschopte in mijn hal? Moeilijk te vatten, maar ik weet wel dat ik nu terug op blote voeten sta en dringend moet douchen. En tanden poetsen.

Mijn deurbel gaat en ik schrik. Ik wist dat hij hier ieder moment zou zijn en toch schrik ik. Ik hoop dat ik er goed uit zie. In de ideale wereld zou hij me terugzien opgetut en in mijn lievelingsfeestjurk, maar dat zou een beetje overdressed zijn op een zaterdagochtend. Dus ik heb het bij jeans en een bloesje gehouden. Het is in elk geval beter dan mijn pyjama.

Hij heeft een zak ontbijtkoeken bij. En stokbrood. Geen hond. Hij heeft ook gedoucht, zijn krullen zijn nog nat, en een ander sweatshirt aangedaan. Verder ziet hij er nog net hetzelfde uit als daarnet: zonder vrees en zelfzeker.

Zelf weet ik me niet goed een houding geven. Liefst van al zou ik hem stevig knuffelen. En lang. Lang en stevig knuffelen en hem duidelijk maken dat ik heel erg blij ben iedere keer dat hij me redt uit de benarde toestanden waar mijn slaapwandelen me letterlijk brengt. Maar ik neem gewoon de zak ontbijtkoeken aan.

In de keuken gaat hij bij het raam staan, met zicht op mijn tuin en ook op het achterste stuk van zijn tuin, het deel waar de haag nog laag is. In de zomer kan ik zijn hangmat zien. Ik zet koffie. Ik kan dat eigenlijk helemaal niet zo goed. Ik heb gewoon geïnvesteerd in een goede cafetière en met goede koffie gaat het allemaal vanzelf. De kwaliteit is van belang. Soms rij ik ervoor naar Gent, naar mijn lievelingsbranderij, heen en weer alleen voor koffie.

Ik wijs Sam aan waar de borden en de kopjes staan, terwijl ik over mijn ontmoeting met de hipster-buren vertel. Hoe verbaasd ze waren en toch ook weer niet, toen ze me in mijn pyjama en veel te grote pantoffels de hal binnen zagen komen. Het beeld doet ons beiden lachen. En dan zegt hij dat ze het weten. “Wat weten ze?” vraag ik hem. Hij kijkt me aan: “Dat je af en toe in rare situaties terechtkomt door je nachtelijke wandelingen.”

Tijdens hun doorzakavondje met Sam vertelden de hipsters dat ze vaak gestommel horen en gepraat, terwijl ze er dan vrijwel zeker van zijn dat ik alleen ben. Dat ze me er heel normaal vinden uitzien. En zelfs sympathiek, maar dat ze dat gepraat en gestommel toch maar vreemd vinden. En toen heeft hij ze verteld van mijn insomnia en somnambulisme. Ik weet niet of ik dat lief vind of roddelen.

Hij snijdt het stokbrood aan, terwijl ik eitjes zacht kook en zalmsnippers snijd. Best fancy, zo onverwachts geregeld. Ik zeg hem dat en ook hoe leuk ik het vind en hij glimlacht. Ik stap op hem af, omarm hem en leg mijn hoofd tegen zijn borstkas. Hij knuffelt stevig terug. Als we weer van elkaar wegstappen, valt mijn oog op zijn linker wenkbrauw en het litteken.

Throwback Thursday

Misschien had ik het wel moeten doen: met jou mee naar Montpellier. Maar ik had het zo leuk in Barcelona en dacht niet aan morgen of later. We liepen met onze hoofden in de wolken: verliefd op elkaar en op het leven. Na vijf dagen hemel op aarde was je vakantie voorbij. Je vroeg mij mee naar jouw leven en ik zei nee.

Je was knap, een durver en geestig, maar vooral een grote gever. Je beloofde me een lach voor altijd en je liefde voor eeuwig. Zelfs je roze bril had geen verweer tegen de donkere bui: het bleef bij nee. Ik zei: “Montpellier is niet Barcelona.” En dat roze wolken ook worden verdreven. Het brak je hart. Maar de gedachte dat het anders kon, verlamde het mijne.

Je was boos en verdrietig en je voelde je van alle liefde verlaten. Je vertrok met de noorderzon: zonder afscheid, niets gezegd, niets geschreven. We hebben geen nummers uitgewisseld en de tijd heeft je naam uit mijn geheugen gewist. Ik hoop dat je grote hart goed is geheeld. En dat je lach is terug gekomen en er altijd gebleven.

Lente in 100 woorden

Het kriebelt zo hard in mijn neus, maar ik wil niet niezen. Dan nies ik het misschien weg. Dit moment waarin we de wereld buiten sluiten. Er is alleen hij en mij. Op een groene wei met gele bloemen. Alles voelt vergroot tot de duizendste macht. Mijn vingers tintelen tot in de topjes. Diep vanbinnen tolt mijn buik. Mijn ademhaling probeert mijn hartslag onder controle te houden. Het kriebelt zo hard in mijn neus. De pluisjes van deze eens goudgelige bloem met zachtzoete geur. Ik wil niet niezen, want dan vliegen de pluisjes weg. En misschien vliegt hij wel mee.

Insomnia, deel 4

“Samuel”, zegt hij. “Ik heet Samuel, maar iedereen noemt me Sam”. Dan lacht hij en wijst met zijn hoofd schuin naar boven. Naar zijn rechterburen, mijn bovenburen. Ik ruik ei en spek en sigaretten en ik lach ook. Het zaterdagochtendritueel van de buren. Het is ook Sam niet ontgaan. De buurvrouw bakt eieren en spek terwijl de buurman een sigaret rookt op het balkon. Elke zaterdag. Zomer, winter, regen, wind.

Er mag binnen niet gerookt worden, dat staat zo in het huurcontract. Ik weet dat omdat ze huren van mij. Ik vind roken niet erg, maar het maakt de muren wel geel. Dus ik heb het liever niet en de bovenbuurman heeft er nooit moeilijk over gedaan. Ik denk ook niet dat hij zoveel rookt, maar wel iedere zaterdagochtend terwijl de buurvrouw een stevig ontbijtje maakt. En daarna gaan ze naar de Marollen of naar de antiekmarkt op de Grote Zavel. Daar kom ik ze af en toe tegen. Tenzij ze op vakantie zijn.

Het zijn wat we hipsters noemen. Ze dragen beiden hun broek omgeplooid met lage sneakers en dan zijn hun enkels bloot. Ook in de winter. Flanking heet dat, daar kwam ik onlangs achter. Het is een mooi koppel, mooie mensen. Zij doet marketing en hij ontwerpt meubelen en ze zijn goed voor zichzelf, voor elkaar en voor de wereld. Hij rookt wel, maar verder eten ze bio, fietsen ze overal naartoe en doen ze aan autodelen als ze toch eens een stevige verplaatsing nodig hebben.

Sam vindt de buren ook aardig en is met hen al eens een pint gaan pakken. Zomaar, last minute beslist. Hij wel en ik niet, terwijl ik met hen een voordeur en een hal deel. Misschien vinden ze dat raar, vriendschappelijk omgaan met de huisbazin. Of misschien toon ik weinig openheid daarvoor. Moet ik toch eens aandacht aan besteden.

Hij vraagt of ik honger heb. Ik haal mijn schouders op. Ik wil me vooral wat opfrissen en mijn tanden poetsen en zo. Alhoewel mijn tandenborstel maar een huis verder ligt, leen ik er liever een van hem. Anders moet ik de deur uit en dan breekt het moment en dan verandert alles. Misschien wel onherroepelijk en dat wil ik niet. Nog niet. Ik wil dit eigenlijk eeuwig houden. Ik weet niet waarom.

Wel weet ik dat ik dit maar tot een uur of zes vanavond kan houden. Dan word ik verwacht bij een vriendin. Een verjaardagsfeest. Waar ik eigenlijk heel veel zin in heb. Mijn vrienden, mijn habitat, mijn comfortzone.  Maar nu lijkt het ook een andere wereld. Wat doe ik hier? Waarom ben ik hier?

Alsof hij mijn gedachten kan lezen, stelt hij voor: “Als ik nu eens naar de bakker ga en jij gaat naar jouw huis koffie maken. Ik weet dat jij lekkere koffie zet, want ik ruik hem soms tot hier.” Ik bloos. Alweer. “Ondertussen laat ik Leon uit en dan ontbijten we straks samen. Ik ben er over een uurtje.” Ik knik ja en aai de Duitse herder over zijn kop.

Als ik mijn hal binnentrippel, met mijn pyjama en zijn pantoffels aan, bots ik tegen de hipsters. Ze kijken enigszins verbaasd, maar ook een beetje zelfvoldaan. Of is het gewoon het zelfvertrouwen van twintigers die klaar zijn om de wereld te veroveren? Vandaag gaan ze naar de Marollen. En het wordt een zonnige dag.

Ik ga mijn appartement binnen, met de sleutel die ik verberg aan de onderkant van een traptrede. Op een hoogte waar ik nog gemakkelijk met mijn handen aankan. Stevig vastgetaped. Bedacht na het hondenhok-incident. Toen heb ik een slotenmaker moet bellen. Duur en behoorlijk gênant. Ik stap mijn hal binnen en schop zijn pantoffels uit. Ik sluit mijn ogen en ik zie wat zou kunnen zijn.