De jongen in het midden

Alle coole jongens zitten traditie-gewijs op de achterbank van de bus. Ze dragen stoere spijkerjassen met fluokleurige badges van Doe Maar en Rod Stewart. De smalle pijpen van hun broeken hebben scheuren aan de knieën. De jongens hebben piekjeshaar en jeugdpuistjes en als je goed kijkt, kan je bij sommigen de eerste donsjes op de kin ontdekken. De coolste zit in het midden.

De populaire meisjes zitten de rij ervoor. Ze dragen oversized witte T-shirts met woorden op in roze, groen of geel: baby, cool of love. Ofwel met een foto van hun idool. Hun broeken zijn gestreept en spannen rond hun billen. Haar in een staart en bellen aan hun oren. Sommigen dragen hun eerste BH. Het uitverkoren meisje mag later op de schoot van de jongen in het midden.

Ik zit op de rij voor de jongens, aan het raam. Meestal kijk ik naar mijn eigen reflectie, om mezelf een houding te geven. Ik doe een poging er ongeïnteresseerd uit te zien. Dat schijnt cool te zijn. Behalve als de jongen in het midden een grap maakt, dan draai ik mijn hoofd met een zwier zoals ik Blondie in een videoclip zag doen. Dan kijk ik hem aan en lach ik hartelijk. Als hij naar mij kijkt, wend ik mijn blik onmiddellijk af. Uit vrees dat hij mijn blosjes zal zien.

Dagen en nachten heb ik nagedacht over mijn outfit. De nieuwe T-shirt met roze letters – L  O  V  E – lag al een tijdje netjes gestreken in mijn kast. De sneakers met fluoroze veters stonden al even opgeblonken klaar. En ik wist precies wat ik met mijn haar zou doen. De make-up was veilig opgeborgen in mijn rugzak. Die zou ik pas op school aanbrengen, zodat mijn moeder het niet kon zien. Ik had in het weekend nog geoefend met de mascara electric blue en dat bleek best moeilijk.

Mijn boezemvriendin flirtte schaamteloos met een blonde jongen op de achterbank. Ik snapte niet wat ze in hem zag, want hij verviel in het niets naast de jongen in het midden. Hij had donker haar, grijsgroene ogen en geen enkel puistje. Hij had de meeste badges op zijn jas en de nieuwste walkman. En hij droeg een oorbel in de vorm van een kruisje, dat was vast de reden waarom hij in het midden zat.

Ik hoor mijn naam. De jongen in het midden – zijn stem slaat een beetje over – fluistert dat ik op zijn schoot mag zitten. “Kim Wilde,” antwoord ik op zijn vraag wie mijn grootste idool is. “Haar nieuwste hit staat op deze mix, ” zegt hij en hij toont me een cassette. “Deze mag je hebben voor een kus.” Hij tuit zijn lippen.

Insomnia, deel 13

Sam heeft de hond naar beneden gebracht en op het tapijt voor de haard gelegd. Ik zie dat zijn arm pijn doet van de inspanning, maar hij doet alsof er niets aan de hand is. Hij steekt de open haard aan. Het zijn mooie lentedagen, maar ’s avonds koelt het af. De warmte is welkom. Leon valt onmiddellijk in slaap.

Ik stel voor om soep te maken. Ik kan bij de groenteboer inkopen te doen en bij de Turkse bakker brood te halen. Sam vindt het een goed idee. Ik vraag of ik iets voor de hond kan meebrengen, maar dat lijkt hem niet nodig.

Als ik terugkom staat een fles rode wijn te chambreren. Sam zegt dat het welverdiend is en ik knik. Ik open de verpakking van de feta en olijfjes die ik net heb gekocht. “Ook verdiend,” zeg ik en hij glimlacht. Hij schenkt twee glazen wijn in. Terwijl hij mij een glas aanreikt, geeft hij me een zoen op mijn wang. Ik bloos.

Ik vertel hem dat pompoensoep mijn lievelingssoep is en dat de groenteboer op de hoek de beste flespompoen heeft. Dat ik die grill voor ik er soep van maak, wat het grote verschil in smaak maakt. Sam laat me ondertussen zien waar alles staat en vraagt of hij kan helpen. Ik schud van niet.

We zitten op de bank aan de haard, Leon aan ons voeten. We smeren dikke lagen zoutige boter op het brood en drinken de soep uit grote koppen. Hij kijkt op, glimlacht en bedankt me. Voor het zorgen voor hem en zijn hond. Voor de soep, voor alles. Ik zeg dat ik blij ben eindelijk een wederdienst te kunnen doen. Voor al die keren dat hij me heeft gered uit rare situaties op rare plekken.

Hij herinnert me aan die keer dat ik naast hem in de hangmat kroop. Nu bijna een jaar geleden. En dat zijn toenmalige vriendin razend werd en niet snapte dat ik aan het slaapwandelen was. En hoe ik helemaal in shock was omdat ik wakker werd en niet begreep wat er gebeurde. Dat hij niet wist wie eerst te bedaren: zijn vriendin of ik. Nu kunnen we er mee lachen, maar toen was het een heel stressvol moment.

We drinken verse muntthee met oranjebloesem en snijden de broodpudding aan die ik snel thuis ben gaan halen. Leon krijgt ook een stuk, maar ook dat maakt hem niet blij. Ik vraag Sam of hij morgen gaat werken, maar dat weet hij nog niet. Even afwachten hoe hij zich morgen voelt, hoe zijn arm voelt.

We zitten dicht bij elkaar in de zetel, onze handen verstrengeld. Ik ben kapot. De insomnia, het nachtje stappen, de bewogen dag: het eist zijn tol. Ik zeg dat ik moe ben en wil gaan slapen. Hij vraagt of ik bij hem wil blijven, gewoon samen slapen zonder meer. Ik knik en geef hem een knuffel.

Ik word wakker. Het is midden in de nacht, maar er brandt een klein lampje. Ik zie Sam zijn silhouet. Hij kijkt naar mij en ik vraag wat er is.  Hij zegt dat hij het jammer vindt hij met zijn gewonde arm niet kan schetsen. Dat ik er zo mooi uitzie als ik slaap en dat hij het graag had getekend. Hij buigt zich naar me toe en kust me.

Ik bedenk even dat ik voorzichtig moet zijn, voor zijn arm. Heel even maar. Dan ga ik helemaal op in zijn kussen, in zijn handen, in zijn lichaam dat ik het vergeet. Dat ik alles vergeet. Er is alleen dit moment. Er is alleen wij.

Insomnia, deel 12

Sam heeft de dierenarts gebeld en we kunnen meteen naar hem toe. Dat kan blijkbaar ook op zondag. Ik wijs naar zijn arm en zeg dat ik hem eerst bij spoed afzet. Sam wil het niet horen. De hond is doodsbang en hij wil die niet alleen laten. Ik merk op dat hij niet alleen zal zijn, dat de dierenarts er is. Dat dit niet hetzelfde is, zegt Sam, en dat ik dat ook weet.

Terwijl ik mij een weg door Brussel baan, bel ik naar de hipster buurman. Niet handsfree, maar nood breekt wet. “Jij gaat toch af en toe wandelen met Leon?” vraag ik hem. Affirmatief. “Dus je kan wel zeggen dat je een band met hem hebt?”. Affirmatief. Ik regel met hem dat hij over vijftien minuten bij de dierenarts is en dat hij zich ontfermt over Leon, terwijl ik met Sam naar spoed rijd.

Ik kan Sam niet lezen. Ik weet niet of hij mijn bemoeienis goed vindt of hekelt. Ik weet wel dat hij pijn heeft. Ook zonder uiting ervan is dat te zien. Als er zweet op het voorhoofd parelt bijvoorbeeld. Of als de wikkel rond de wonde doorbloed is. Hij zegt in alle geval niets en houdt zijn gewonde arm voorzichtig tegen zijn borstkas. Zijn kleren zitten onder het bloed en er zitten vegen op zijn voorhoofd.

De dierenarts en de hipster buurman tillen Leon uit de kofferbak. Sam staat erbij en kijkt ernaar, maar lijkt er gerust in. Leon is in goede handen. Ik knik een subtiel bedankje naar de buurman en hij knipoogt terug. Later zal ik hem uitgebreid bedanken, maar eerst met Sam naar het ziekenhuis.

In de auto wisselen we geen woord. Ik ben van alles aan het oplijsten in mijn hoofd. Hoe krijg ik Sam en Leon veilig thuis? Hoe kan ik het ze comfortabel maken? Zal Sam morgen kunnen werken? Kan hij koken en voor Leon zorgen? Is er eten in huis? Waar kan ik boodschappen doen? Waaraan zou hij nu denken?

Noch Sam noch ik – lucky bastards – zijn ooit op spoed geweest en we moeten even zoeken hoe het werkt. Iedereen is er professioneel en het lijkt een beetje op bandwerk. Terwijl Sam bij de dokter is, blijf ik in de wachtzaal. Hij wil me er liever niet bij. Een uur en acht hechtingen later zijn we op weg naar huis.

De hipster buren hebben Leon met een taxi naar huis gebracht en nu ligt hij op hun keukenvloer te slapen. Ik bedenk dat het een hele klus moet geweest zijn, Leon naar boven dragen. Het is best een grote hond en het gebouw heeft geen lift. Het is een oud pand, een burgerwoning. Ik was er meteen verliefd op en heb het onmiddellijk gekocht. De hipsters zijn mijn eerste huurders. Ik woon er nu drie jaar, zij tweeënhalf. Goede huurders.

Sam is blij Leon te zien, maar de schade valt niet mee. Er zitten een paar grote wonden in zijn hals en hij kan moeilijk staan. Over een week moet hij terug naar de dierenarts voor een controle en om draadjes te verwijderen. We bedanken de buren uitvoering en Sam regelt de terugbetaling van de centen voor de dierenarts en taxi. Ik complimenteer hen voor hun hulp. Zonder hen was het ons niet gelukt.

Insomnia, deel 11

Tijdens de rit naar het bos vertel ik honderduit over mijn nachtje stappen. Over Sofie, net veertig en net gescheiden.  Over het diner met oesters en kreeft en over het clubben.  Ik ratel en ratel, er is geen houden aan. Ik doe dit altijd als ik zenuwachtig ben, dan overlaad ik alles met woorden en handgebaren, uit vrees voor ongemakkelijke stiltes.

Leon zit de hele rit braaf achterin. Tot de kofferbak opengaat. In één grote sprong staat hij in de berm en tien seconden later aan de rand van het water. Eenden en andere watervogels stuiven alle kanten op. Sam haalt zijn schouders op, glimlacht en reikt me zijn hand. Mijn schouders ontspannen en ik neem zijn hand vast.

Samen banen we ons een weg door het bos. De hond soms ver voorop en dan soms ook weer achter ons. Het ene moment lijkt het of hij het bos kent en dan lijkt hij weer verloren. Maar hij komt altijd terug naar Sam. Met of zonder stok. Soms moeten we een nieuwe zoeken en dan laten we even elkaars hand los. En als we de perfecte stok hebben, vinden onze handen elkaar weer.

Het ratelen heeft ruimte gemaakt voor luisteren. Hij vertelt dat Leon de hond was van zijn broer, Niels. Dat iedereen hem afraadde een hond te nemen omdat hij te weinig verantwoordelijkheidszin heeft. Maar Niels deed toch gewoon zijn zin, zoals wel vaker, en Sam loste het probleem op, zoals altijd. Sam weet niet of het in hun aard ligt of dat het te maken heeft met de dood van hun ouders. Niels was net zestien geworden, hij zessentwintig.

Sam brengt het gesprek naar een ander onderwerp en ik ga erin mee. We hebben het over het uitzonderlijk mooi lenteweer en dat de winter nog maar net plek heeft geruimd voor de zon. En dan voel ik Sam opspannen. Hij laat mijn hand los en hij draait rond zijn as. Hij kijkt naar links, naar rechts, hij zoekt zijn hond. Ik snap niet waarom, ik weet niet wat er gebeurt, maar ik voel de ernst.

Sam fluit op zijn vingers. Een keer. Hij wacht vijf tellen. Tweede keer. Leon komt uiteindelijk aangestormd. Op het zelfde moment komt een andere hond de open vlakte opgerend en die zet de aanval in op Leon. Sam doet een soort hinkstapsprong en gooit zich tussen de twee beesten. Ik hoor gegrom en geschreeuw en weet even niet wat te doen.

Een man, overduidelijk het baasje, komt aangehobbeld. Ik grijp hem bij zijn arm en roep dat hij iets moet doen. De man kijkt me niet aan. Het lijkt op onverschilligheid, maar ik doorzie de schaamte. Hij pakt zijn hond bij de halsband en sleurt hem mee. Zonder op te kijken, zonder iets te zeggen wandelt hij weg. Sam roept: “Dit is al de tweede keer. Als jij je hond niet onder controle hebt, dan hou je hem aan de lijn, godverdomme!”

Twee hoopjes ellende zit op de grond: een bloedende Sam en een gehavende Leon. Ik steek mijn hand uit en vraag de autosleutels. “Ik ga jouw auto halen en kom jullie oppikken.” Voor ik het op een loopje zet, pak ik mijn sjaal, wikkel die rond de armwonde en geef Sam een kus op zijn voorhoofd.

Sherazade & Nora

De ene is goudblond golvend en roze blozig, de andere strak gitzwart en caramelig. Beiden de leeftijd van ontluikende volwassenheid, maar nog heerlijk onbevangen. Zich niet bewust van de stedelijke betonnen landschappen die door vette vingergeprinte raampjes passeren, noch van luistervinkende medereizigers.

Helemaal opgaand in hun wereld van oogschaduw, blush en mascara. Zichzelf bewonderend in het schermpje van hun favoriete hightech toestel. Heelder gesprekken komen uit de roodgelipstickte pruilmondjes, klaar om door zwaard zwaaiende glimmend geharnaste ridders gekust te worden.

Een Scandinavische zeemeermin en een Arabische prinses op amoureuze veroveringstocht in het binnenstedelijk gebied. Zich verplaatsend via de metalen sporen van straat naar park naar plein. Zoekend naar het meest ideale plekje waar edele koene ridders schuilhouden.

Op een nevel van viooltjes en oranjebloesem schrijdt het vrouwelijk schoon de kroeg binnen. Gesprekken vallen geruisloos en blikken worden autofocus-gewijs scherp gesteld. Met hun beschilderde gezichtjes, beheuvelde decolletées en behakte voeten leiden ze af van de nonchalante gesprekken tussen wapenbroeders en de opscheppende overdrijvingen tussen concurrenten ridders.

Sierlijke glaasjes bubbelende liquide worden besteld en vastgehouden aan de stam zodat er geen beduimelingen het glanzende glas bederven. Op de plek waar lippen glas raken, blijven rode patroontjes achter. Olijven worden op stokjes geprikt en naar de mond gebracht met de vingers in picobello houding.

De ridders kijken barhangend toe en doen nobele pogingen tot imponeren door luidlachend en handgebarend hun gesprekken sier te geven. Een romantische enkeling verlaat de ridderlijke ronde en oriënteert zich op het goudblonde-gitzwarte spektakel dat zich ontvouwt op dit wonderbaarlijke uur, wanneer dag en avond elkaar groeten om dan weer elk hun eigen weg te gaan.

De romantische ridder vuurt zijn pijlen van onverdeelde aandacht af op de Arabische prinses. Het zorgt voor schuifelende billen op de barkruk en vingers die zogezegde weerbarstige haren terug in het gareel duwen. De bedeesde glimlach en wapperende oogleden spreken boekdelen.

Eerste aftastende woorden worden uitgesproken en met groeiende interesse ontvangen. Stoere beeldspraak wordt met gegiechel onthaald en vragen worden met ontwapende eerlijkheid beantwoord. Opengestelde lichamen en hunkerende blikken geven zichzelf bloot. Er ontstaat een romantische dans van bijna zingende woorden, aanstekelijk gelach en kleine aanrakingen. Verliefdheid in wording, het is een fraai tafereel.

Zomer in 100 woorden

De stad zindert en zucht en kreunt onder de hitte. Gillende kinderen spelen in de fontein en lachende volwassenen zitten veilig in de schaduw. Rinkelende fietsbellen en toeterende auto’s, maar al wat ik hoor is jouw zoete gezang. Blote tenen in flipflops en grote zonnebrillen, maar al wat ik zie zijn jouw handen op je gitaar. Drankjes met veel ijs en ijsjes met veel smaken, maar al wat ik proef is jouw zilte zoen. Je kijkt me recht aan en laat niet toe dat ik wegkijk. Ogen die zeggen dat het tijd is, tijd om gebroken harten achter te laten.

Insomnia, deel 10

Het gerinkel van mijn gsm maakt me wakker. Ik lig op de bank en de TV staat aan. Het is Sofie. Ik neem op met een schorre hallo. Ze klinkt ook schor en een beetje in paniek. Ze is net thuis gebracht door de dertigjarige waarmee ze de nacht doorbracht. Ik lach en zeg dat dit wel kan tellen als rebound. Ze denkt dat hij haar echt graag mag, maar dat ze niets kan aanvangen met een jonge gast. Ik zeg dat ze hem dat gerust rechtuit kan zeggen. Hij is dertig, geen twaalf.

Ik vraag of hij zijn eitje met soldaatjes heeft gehad voor ontbijt, met een glaasje melk. Ze lacht en ik hoor dat ze ontspant. Ik vertel van mijn nachtelijke bakavontuur en dat ik uiteindelijk toch nog voor de TV in slaap ben gevallen. Ze zegt dat ik me geen zorgen moet maken. Waarom zou Sam me niet leuk vinden? En dat ik het hem gewoon rechtuit kan vragen. Hij is vijftig, geen twaalf.

Het is middaguur, een verrekt laat uur om aan de dag te beginnen. Insomnia, feestjes. Het heeft geen gunstig effect op me. Ik raap mezelf samen om te douchen en me te fatsoeneren. Ik neem mezelf voor om van de rest van de dag nog iets te maken. Ik ga sowieso broodpudding brengen naar de bovenburen. En naar Sam. “Samuel”, zeg ik luidop en hoop dat niemand het hoort.

Ik geef de broodpudding aan de buren en het voelt een beetje raar. Ik voel me betrapt. Alsof ik weet dat zij weten dat mijn gastvriendelijkheid is omdat ik weet dat zij weten dat ik slaapwandel. Dat ik nu wil bewijzen dat ik eigenlijk echt wel gewoon heel normaal ben. Ze bieden me een koffie aan en wijzen naar het nieuwste model koffiemachine. ‘Nespresso’ staat erop. Ik bedank beleefd onder het mom van een drukke dag.

Maar eigenlijk sta ik te popelen om de andere helft broodpudding naar Sam te brengen. Ik loop in een hupje de trap af naar mijn flat, spurt de keuken in, grijp de in aluminium verpakte pudding en sta in een recordtempo terug aan de voordeur. En dan bevries ik. Mijn linkerhand op de deurklink, mijn andere rond het aluminium pakketje.

Wat als hij me niet leuk vindt? Wat als ik hem afschrik? Wat als er iemand anders is? Mijn gedachten gaan alle kanten op en mijn lichaam doet het tegenovergestelde; het verstijft. Ik zie de knokkels van mijn linkerhand wit worden en ik voel de broodpudding verpulveren in mijn rechterhand.

De bel gaat. Zonder na te denken neem ik de parlofoon op en de andere kant zegt: “Hoi, ik ben het”. Ik herken Sams stem en ik druk op de knop om de deur te openen.

Of ik mee wil gaan wandelen met de hond. Misschien ergens buiten de stad, een frisse neus halen. En dat we best wel goed schoeisel kunnen aandoen, na de regenbui van vannacht. Hij was wakker geworden van het stormachtige weer. En had nog aan me gedacht en gehoopt dat ik droog en veilig thuis zou geraken na het feest. Ik leg het pakketje broodpudding terug in de keuken en hoop dat ik straks nog de helft ervan kan redden.

Insomnia, deel 9

In de taxi op weg naar huis denk ik aan het diner met oesters en kreeft. Ik denk aan de groep vrienden die is afgezakt naar de club en hoe goed de beats waren. Dat je van laarzen die als gympen zitten ook vermoeide dansvoeten krijgt. En dat het toch even wennen is dat Mathieu, de ex van Sofie, er nooit meer bij zal zijn.

Het begint te regenen. Met bakken uit een zwarte hemel. Van een topavond naar strontweer. Ik vraag me af of Sam ergens droog binnen zit? Of loopt hij nu door de regen naar huis? Ligt hij in een warm bed? Schenkt hij nu een andere vrouw een glas wijn in? Denkt hij aan mij of aan iemand anders?

Eigenlijk is het goed dat we geen nummers hebben uitgewisseld. Ik moet me niet afvragen of ik als eerste moet sms’en. En wat ik dan precies moet sms’en. Ik moet niet checken of er een antwoord komt en ik kan niet teleurgesteld zijn als er geen komt. En wat als hij wel antwoordt, maar er staat geen kruisje op het einde van het bericht. Wat dan?

En toch blijft het hangen in mijn hoofd. Waarom vroeg hij mijn nummer niet? Waarom kuste hij me op de wang? Waarom vroeg hij niet wanneer we elkaar terugzien? Waarom bleef hij vaag over zijn plannen voor de avond? Vindt hij me echt leuk of beeld ik het me in? En als hij me leuk vindt, hoe oprecht zijn z’n intenties?

Als ik uit de taxi stap, kijk in naar het huis van Sam. Het is er donker. Mijn huis ook. De hipsters zijn vast in dromenland, het zijn geen nachtbrakers. De postbode komt niet op zaterdag, maar toch kijk ik in mijn brievenbus. Ik hoop op een briefje van hem. Ik vind alleen een flyer van de pizzatent verderop in de straat.

Van zodra ik in mijn hal sta, trek ik mijn laarzen en sokken uit. Ik masseer de ballen van mijn voeten en zie dat de netelbultjes weg zijn. Op blote voeten, stap ik richting terrasdeuren en trek het gordijn een beetje weg. Net genoeg zodat ik er tussen kan. Ik duw mijn gezicht tegen het raam. Het glas voelt koud aan mijn neus en mijn adem maakt wolkjes op het patroon van regendruppels. Behalve de weerspiegeling van het licht binnen, zie ik niets.

Na het avondritueel van tanden poetsen, make-up verwijderen en crèmes smeren, stap ik met vermoeide voeten en een bezorgd hoofd mijn bed in. Ik probeer de vrolijkheid van de avond terug te roepen. Het gebabbel van Bianca, het gelach van Sofie, het dansen met Hendrik. Ik probeer de zorgen die zich in mijn hoofd hebben gevormd los te laten. Ik weet dat ik invullingen maak die nergens op zijn gebaseerd, maar het is sterker dan mezelf. Ik draai en woel en kan de slaap niet vatten. Na een uur heb ik er genoeg van en ik stap uit bed.

Ik loop in het donker naar de keuken en doe enkel het lampje van de dampkap aan. Ik neem melk en vier eieren uit de koelkast. Suiker en rozijnen worden afgewogen en kaneel klaargezet. Brood en croissants worden in stukjes getrokken. De oven wordt voorverwarmd. Ik maak broodpudding, met glazuur bovenop en een beetje wak van binnen, zoals broodpudding hoort te zijn.

Insomnia, deel 8

Het is eigenlijk nog geen terrasjesweer, maar Sofie staat erop om buiten te aperitieven. Roker. Ik begrijp haar, want ik ben het ook lang geweest. We vinden nog een tafeltje voor vier, net onder een terrasbrander. We hebben geluk, maar dat hebben we meestal. What goes around, comes around, daar geloven we in.

Er wordt witte wijn besteld en ik vraag een glas met extra ijs. Ik hou van extra ijs in mijn wijn. Not done volgens de kenners, maar ik ben geen kenner. Er worden ook aperitiefhapjes besteld en een fles water, voor de schone schijn. Het wordt een avond van eten, drinken en dansen. En ook van babbelen en lachen.

Sofie is net veertig en net gescheiden. Ze viert vanavond beiden. Het Sint-Goriksplein werd speciaal gekozen als startplek voor het feest. Ze ontmoette hier tien jaar geleden haar nu ex-man. Op haar 30ste verjaardagsetentje. Hij zat twee tafeltjes verder. Tien jaar samen, acht jaar getrouwd, vijf dagen gescheiden. De cirkel is rond.

Ik ben dus niet meer de enige vrijgezel aan tafel. Daarom is er potentieel voor een verdubbeling van de grappige datingverhalen, merk ik fijntjes op. Grote hilariteit, niet in het minst van Marieke en Bianca. Beiden zijn al lang gelukkig met hun respectievelijke mannen, maar ze genieten zo van de happy single verhalen. En nu zijn we dus met twee.

Ze houden het vol tot de tweede fles vooraleer ze me de vraag stellen. Hoe het in singleland is? Ik had me voorgenomen niets te zeggen over Sam. Omdat het er niet de juiste plek voor is, noch het moment. Omdat ik het zelf nog niet goed kan verwoorden. Omdat ik het eerst onder twee ogen tegen Sofie wil vertellen, die heeft altijd een goede kijk op dit soort dingen. Ik zeg hen dat er helaas niets bijzonders te vertellen valt, maar mijn gezicht heeft me verraden en ze laten niet los.

Ik vertel over mijn slaapwandeling, over mijn blote voeten en de brandnetels, over Sam die me kwam redden. Dat hij ruikt naar leder en kaneel, dat hij leraar is en heel zelfzeker. Ik vertel over het litteken boven zijn oog, dat het lijkt op een fijn wit draadje dat daar door de wind is neergelegd. Over de schetsen aan de muur en dat hij me wil leren eten met chop sticks. Dat de knuffel heerlijk was en dat ik niet goed weet wat ik moet denken van de kus op de wang.

Ze verzekeren me dat er niets mis is met de kus op de wang. Een ook niet met het feit dat we geen nummers uitwisselden. “Jullie zijn buren, jullie vinden elkaar heus wel.” Sofie denkt dat ze Sam eens zag toen ze op bezoek kwam bij mij. Ze meent zich een grote man met grijze krullen te herinneren. Lekker is het woord dat haar te binnen schiet en ze laat de ‘r’ lang rollen als ze het zegt.

En dan gaat het gesprek over naar Koen, de vriend van Bianca, die het moeilijk vindt dat hij kaal wordt. En dan gaat het vandaar verder naar de drukte op hun architectenbureau en dan over de jongste van Marieke van wie ze net ontdekt hebben dat hij dyslexie heeft. Dan volgen weer luchtigere thema’s als de nieuwste reeks op Netflix en dat we lak hebben aan diëten. Als Sofie haar oog valt op een knappe man twee tafels verder, kan de pret niet op.

Insomnia, deel 7

De namiddag verloopt in een roes. Ik probeer het me voor de geest te halen: zijn gezicht, onze gesprekken. De woorden, de zinnen. Ze komen en gaan in flarden, maar niet duidelijk genoeg om het te kunnen opslaan. Soms hoor ik zijn diepe stem of hese lach en dan ruik ik weer leder en kaneel.

Ik moet mijn gedachten verzetten. Afleiding zoeken. Ik zet wat muziek op en beslis om papierwerk te doen. Facturen opmaken, rekeningen betalen, planning afwerken. Het lukt voor geen meter. De cijfers dansen voor mijn ogen. Na een half uur geef ik het op.

Ik zet de muziek af, pak mijn boek en pik de draad weer op waar ik die gisteren heb dichtgeklapt. Ik lees pagina 65 en dan een tweede keer. En dan nog eens. Er blijft niets hangen. Mijn gedachten gaan alle kanten op, behalve naar het boek. Ik klap het terug dicht op pagina 65 en leg het neer.

Veel vroeger dan nodig neem ik een bad. De hele rimram: kaarsjes, badschuim, muziekje. Terwijl het water loopt, kies ik mijn kleren uit voor het verjaardagsfeest van vanavond. Iets gemakkelijk, want we gaan de hort op. Iets vrouwelijk, want we gaan de stad in. Altijd leuk en zeker vanavond, want Sofie wordt 40. Jasses, wat vliegt de tijd.

Het bad is bijna tot de rand gevuld met water en schuim als ik erin stap. Het geurt heerlijk en stoomt rijkelijk. En nu? Relaxen, proberen te relaxen. Ik leg mijn hoofd op de rand van het bad en staar voor me uit. Mijn oog valt op een stuk groezelige muur, net boven de verwarming. Misschien moet de badkamer een nieuw laagje verf krijgen? De radiatoren moeten ook eens ontlucht worden. En de magneten van de kastjes in de woonkamer doen het ook niet goed meer.

Ik betrap mezelf op de ouderwetse gedachte dat een man in huis toch handig is. OK, ik huur gewoon een klusjesman in en die fikst dat allemaal zonder veel poeha. Maar het lijkt me ook fijn ’s ochtends te zeggen: “Schat, de douchekop lekt” en ’s avonds thuis te komen en te merken dat die niet meer lekt. Een heerlijke ouderwetse gedachte.

Ik neem de tijd om me aan te kleden en make-up aan te brengen. De jeans die ik had klaargelegd zit vandaag niet lekker. Dus ik trek die van daarstraks terug aan. Maar daar past het gekozen topje niet bij, dus moet dat ook wat anders worden. Ik trek mijn laarzen aan die zitten als gympen. Bijna. Want laarzen zijn nog altijd laarzen en geen gympen. Wat foundation en twee lagen mascara. Ringen, oorbellen, polshorloge en klaar. Er rest me enkel nog het inpakken van het cadeau.

Ik heb het mezelf gemakkelijk gemaakt en een stuk uit mijn eigen brocante collectie gekozen. Sofie heeft de art deco handspiegel eens gezien en was er meteen weg van. Hij lag bovenop een doos met een aantal andere stukken uit de jaren ‘20. Klaar om te leveren aan een etalagist, voor een schoenenwinkel die een collectie vrouwenschoenen wilde etaleren, geïnspireerd op de roaring twenties.

Ik kijk nog even mijn make-up na, doe wat parfum op, pak het cadeau en trek de deur achter me dicht. Ik wandel richting tramhalte en wuif naar de hipsters, die net de Turkse bakker uitkomen. Stiekem hoop ik Sam tegen te komen, maar dat gebeurt niet.