Insomnia, deel 2

Bewonderenswaardig, de precisie waarmee hij mijn voeten dept. Met een in azijn gedrenkte keukenhanddoek. Penetrante stank, maar hij gaat onverstoorbaar door. Netelbultje per netelbultje. Tot aan mijn enkels, tot aan de zoom van mijn pyjamabroek. Daaronder konden de netels me niet deren.

Ik kijk naar zijn handen die de handdoek dirigeren. Sterke handen waarin mijn voeten klein lijken. Ik kijk naar zijn armen die me hebben gedragen, weg van het netelveld, weg van de pijn. Ik kijk naar zijn krullen. Grijzend, maar ze zijn nog met velen. Zijn wenkbrauwen zijn van de eigenzinnige soort. De linker heeft een litteken, een kale streep die een boogje maakt terug naar zijn slaap.

Leeuwenverzorger, ik bedenk dat hij leeuwenverzorger is. Dat hij sterk en zorgzaam en geen grote prater is. Dat overdag de leeuwen zijn beste vrienden zijn en ’s avonds de Duitse herder. Maar ik denk nog meer dat hij de jungle waarin we leven de baas kan. Zou hij de leeuwin in mij aankunnen? Zonder terug te slaan, zonder me neer te halen, zonder andere mannen neer te halen? Gewoon genoeg man zijn van zichzelf?

Ik sluit mijn ogen en snuif hem stilletjes op. Ik ruik leder en kaneel. Wanneer ik mijn ogen open, kijkt hij me recht aan en ik voel me betrapt. Hij verraadt niet wat hij denkt en vraagt of het gaat. Ik knik. Blik terug gericht op mijn voeten. En zijn handen. Ik weet niet wat ik moet zeggen. Terwijl ik eigenlijk een grote prater ben.

Misschien wil ik zeggen dat ik geen gekke vrouw ben. Dat ik eigenlijk heel rationeel ben, alleen dat ik veel praat in mijn slaap en af en toe slaapwandel. Dan word ik wakker op plekken die me vreemd zijn. Maar dat heb ik al verteld toen hij me kwam halen uit het hondenhok. En die keer toen ik naast hem was gaan liggen in zijn hangmat, tijdens die eerste warme lentenacht. En ik vertel iedere keer dat de medische term somnambulisme is, maar dat bijna niemand dat weet.

Telkens tilt hij me vastberaden op van de plaats van delict en zet hij me zachtjes neer aan mijn voordeur. Telkens wisselen we weinig woorden. Ik bedank hem dan gegeneerd en hij glimlacht. En als we elkaar daarna tegenkomen in de straat, dan mijden we elkaars blik, maar we zeggen wel vriendelijk gedag. En heel soms vraagt één van ons hoe het gaat met de ander. Meestal aai ik de hond. Om mezelf een houding te geven.

Deze keer zette hij me zachtjes neer in zijn woonkamer, op de bank. Hij haalde azijn en een handdoek en begon te deppen. Tussendoor zette hij een muziekje op en schonk een glas wijn voor mij en een biertje voor hem. Van de zwaardere soort, een trappistenbier of iets in dat genre. Ik ben geen kenner.

De hond heeft me van onder tot boven besnuffeld. Je zou denken dat we elkaar ondertussen kennen. Maar in de hondenwereld ligt dat misschien anders. Of misschien ligt het aan de azijn. Nu ligt hij naast ons. Hij slaapt, ademt zwaar en maakt af en toe een geluidje. Vanuit een droom. De Duitse herder heeft geen last van insomnia.

Er hangt een stilte die ik niet wil verbreken. Het brengt rust en heeft iets vertrouwds. Of komt dat door de wijn? Het is een goede wijn, droog maar toch zacht. Of komt het door de sterke handen die me verzorgen? Het doet goed. De jeuk trekt weg. De bultjes zien minder rood. En ik hoor mezelf hem weer bedanken. Meer woorden komen er niet. Ik sluit mijn ogen en ik voel de rust

Insomnia

Zelfs als ik mijn beste Frans naar boven haal, kan ik niet uitleggen aan de agenten wat ik midden in de nacht op blote voeten in een berm vol brandnetels sta stil te staan. Doodstil. En het doet godsamme zeer. Voorraadje azijn inslaan straks. Of is het urine dat helpt tegen het prikken? Ik hoop op azijn.

Eerst leek het of ik zwom in een zacht deinende zee met de zon op mijn hoofd. In azuurblauw water met een donkergroene ondertoon. Waar je visjes kan zien zwemmen en donkere rotsen zeemonsters lijken. En toen ik terug de kant naderde en wilde gaan staan, trapte ik op zee-egels. Dat deed zo’n zeer.

Toen huilden mijn ogen van de pijn. De zee-egels bleken brandnetels te zijn, de zon een zaklamp. Nu moeten mijn ogen lachen, door de agenten. Hun gezichten, goud waard. Maar het is niet het moment om te lachen. Ze hebben een zaklamp op mij gericht en het is nu al vreselijk gênant.

Voor mij is het herkenbaar. Zoals een patroon. Mijn slaapwandelpatroon. Zeven nachten insomnia worden altijd gevolgd door een slaapwandeling. Geheid. En elk jaar als de winter op zijn einde loopt, slaat insomnia toe. Zonder twijfel. Heel af en toe is het ongelooflijk spannend, meestal hoop ik dat het bij één keer blijft.

Ik word altijd op een andere plek wakker. Deze is wel heel bijzonder. Beter dan die keer toen ik wakker werd in het hondenhok van de buurman, met de Duitse herder er nog in. Slechter dan die keer dat ik wakker werd in de hangmat van diezelfde buurman, met de knappe man er nog in. Zijn toenmalige vriendin vond het niet zo amusant.

Ik weet niet of ik moet springen om de pijn te verlichten of ik best stil kan blijven staan. Het liefst zou ik rennen, maar ik weet niet waar naartoe, en ook niet hoe. Het prikken is veranderd in jeuken. Mijn voeten zijn ondertussen vast disfunctioneel. Ik kijk zo uit naar azijn.

De agenten lijken ook niet te weten wat of hoe. Ze blijven staan met de zaklamp op mij gericht. Ik moet ze uitleggen dat dit is wat een lange winter met me doet. Dat geen enkele dokter me kan helpen, ook niet die van de slaapkliniek. Daar lag ik met draadjes op mijn hoofd en een band rond mijn borstkast. En ik sliep er als een roos.

Ik houd mijn handen halfslachtig in de lucht. Tussen een ik-weet-van-niets houding en wat boeven doen als de politie een pistool op hen richt. Ik zoek naar de juiste woorden in het Frans. Insomnia. Dat klinkt alsof dat in alle talen hetzelfde is. Ik zeg het luidop. Insomnia. De zaklamp schijnt in mijn ogen dus ik kan hun gezichten niet goed zien, maar ik denk dat ze met hun ogen rollen. Ze geloven me niet. Echt hoog tijd dat ik een bredere vocabulaire leer. Hoelang woon ik nu al in Brussel?

De lichtstraal verlaat mijn gezicht en schijnt voorbij mij. Daar is nog iemand. De agenten kennen hem en groeten hem. Zo toereikend is mijn Frans wel. De man zegt welgeteld drie woorden tegen de agenten, neemt me op en draagt me weg van het netelveld. “Is het weer die tijd van het jaar?” vraagt ie in het Nederlands en hij fluit. De Duitse herder komt aangerend en leidt ons richting huis.

Geroezemoes

En dan praat ik veel, maar ik zeg niets. Dan luister ik, maar alleen naar wat ik horen wil. Fysiek ben ik er, maar ik ben niet fysiek. Ik zie wat ik wil, blind voor de rest.

En ik lach. Vooral alles weg. Een ingebakken mechanisme. Om tristesse te vermijden. Voorkomen van pijn. Anders nestelt het in elk krochtje en bochtje van mijn lijf.

En als tranen komen, dan stoppen ze niet. Dingen die ik niet kan plaatsen gaan huizen. Helaas te dichtbij. Ik kan er de vinger niet opleggen. Het voelt niet welkom maar toch ook weer wel.

Ik heb beelden van wolken in mijn hoofd. Liggen op wolken en genieten. Vrolijk en vlot. Zo zeer mij. Heerlijk op mijn eentje wezen. Geen hunkeren, geen verdriet, geen pijn.

Niemand om compromissen mee te sluiten. Geen zorgen. Dan is desolaat ook wel weer fijn. Maar het klopt niet. Er mist iets.

En dan ben jij er. Met een explosie van emoties. Zolang je weet. Ik ben opgetrokken uit liefde. Al de rest is geroezemoes.

Trilogy, part III – Antonio

He’s still not looking at me. I hold him tight whilst leading him gently through the hallway to the kitchen. I know she is there. I don’t hear her, I don’t see her, but I feel her. I also feel for her. He is her prince and I am a thief. Stealing him from her.

I see her for the first time. His mom. Monica. Completely clueless, staring at the dishes. Focussing on herself in an attempt to control the situation. I see the resemblance. He is so like his mum. Withdrawing from the world and trying not to go where it is awkward and difficult.

I want to hold onto him forever but I have to let go. I give his arm a little squeeze and I step back. Give them their space. They start talking their language. In words I do not understand and in ways I do not know.

All I can do is hope that she feels it. How I make him laugh. How I shelter him from harm. Nobody understands him better than I do. I need to trust him. That he knows how true I am. How we are meant to be. Nobody loves him like I do.

I revert back to what I do best. Make coffee. It might sound trivial, unimportant. But where I come from special moments are sealed with coffee. The start of a new day, espresso. A deal over a business lunch, americano with grappa. A quarrel, macchiato. The perfect dinner, foamy cappuccino. Sex, espresso again.

Macchiato it is. I hand Monica the cup and hope she will acknowledge my presence, but she’s still looking at the dishes. I put the coffee next to her. I think she took a peak, but I can’t be completely sure. Her shoulders relax though and she turns around facing us. It is not because of the coffee. It’s because of him. Something he said. Something to make it less awkward and easier.

She looks at him as if she always knew he wasn’t going to be around forever. Her face changes. I can’t read her, I don’t know whether it softens or hardens. Finally he looks at me. Exactly the way he did the very first time. I was then as I am now happy and lost, all in just one heartbeat. He steps away from her. He’s speaking in words I now do understand.

She looks at him. She looks at me. And she smiles a thousand smiles.

Trilogie, deel II – Jasper

Daar staat ze dan. Mijn moeder. Met poetshandschoenen in haar linkerhand. Haar rechterhand houdt ze voor haar mond. Ik wil lachen, heel hard lachen want dit is zo belachelijk gênant. Maar ik doe het niet. Ik staar. Naar mijn moeder die blijft staan alsof ze nooit meer zal bewegen. Ik voel Antonio naar me kijken, maar ik kijk niet terug. Eerst mijn moeder de kamer uitwerken.

Ik stap het bed uit en graai naar een broek. Ik heb me nog nooit zo beschaamd gevoeld voor mijn blote flikker. Terwijl ze het beiden allemaal al hebben gezien. Zonder woorden stap ik op mijn moeder af,  haal ik de hand van voor haar mond weg, doe ik de deur open en duw ik haar zachtjes de kamer uit.

Ik sluit de deur terug. Ik durf me niet omdraaien. Ik durf niet in zijn ogen kijken. Want hij weet nu dat ik het haar nog niet heb verteld. Hoe ik verliefd ben geworden op Rome. Hoe verliefd ik ben geworden op een Romaan. Hoe de afgelopen zes maand de weekendkoffers heen een weer vlogen van mijn hal naar de zijne en omgekeerd.

Antonio verkondigde makkelijk aan iedereen dat hij de man van zijn leven had gevonden. En dat we samen een koffiebar zouden openen. Twee weken later had ie al de perfecte plek gevonden en het concept bedacht. Zijn moeder wist al langer dat hij de mannenliefde boven de vrouwen verkoos. En wat zijn vader ervan dacht, kon hem niet schelen.

Mijn vader ligt al lang onder de zoden, dus daar moet ik me geen zorgen over maken. Maar ik maak het me des te meer over mijn moeder. Het idee dat ik het haar moet vertellen, doet mijn hart zinken in mijn schoenen. Samen met de moed. Ik staar naar de deur. Ze staat ergens aan de andere kant. Mijn moeder, die niet weet wat er gebeurt.

Als ik lang genoeg blijf staan, gaat het misschien allemaal weg. Misschien gaat hij weg. Maar dat wil ik niet. Ik wil samen weg. Naar Rome. Naar onze koffiebar op de perfecte plek. Ik staar naar de deur en weet dat ik ze moet opendoen. Dat ik haar moet zoeken aan de andere kant en het haar moet vertellen. Maar ik weet niet hoe.

Ik voel zijn armen rond mijn lijf. Hij kust me in mijn nek en zegt “Let’s talk to your mum over coffee. A strong Italian coffee.” Hij doet de deur open en duwt me zachtjes de kamer uit.

Trilogie, deel I – Monica

Hij zal zo blij zijn. Thuiskomen in een spik en span gepoetste flat. Het is mijn manier om m’n zoon te bedanken voor het sneeuwvrij maken van m’n stoep vorige week. Het is tenslotte maar een kort ritje met de bus naar de stad. En ik heb zijn sleutel. Voor noodgevallen, maar goed. Ik kom graag in de stad en dan kan ik straks nog een koffie gaan drinken. Hem verrassen in het gezellige koffiehuisje waar hij barista is.

Ik denk dat hij daar heel gelukkig is. Jasper kan soms somber zijn en in zichzelf gekeerd. Maar de laatste maanden is hij open gebloeid en goedgemutst. Ik denk dat hij zijn plek heeft gevonden in de stad en in dat koffiehuis.

Het is altijd prutsen met dat slot. Eerst moet je de deur een beetje naar je toe trekken en dan pas de sleutel draaien. Het is me gelukt, maar de deur schraapt over de vloer als ik ze opendraai. Ik kan me niet herinneren of dat de vorige keer ook zo was.

Zijn fiets staat nog in de gang. Met dit slechte weer is hij wellicht te voet naar het werk. Appartement 4. De deur is niet op slot. Dat zal hij vergeten zijn. Toch wel heel nonchalant in de stad. Dat moet ik hem zeker zeggen. Ik val bijna over de koffer die in de hal staat. Het is zo’n model net gepast voor een weekendje weg. Hij heeft me niet verteld dat hij van plan is een reisje te maken. Vergeten wellicht.

In de woonkamer is het nog lekker warm. Jasper is vast nog maar net de deur uit. In de keuken zie ik dat hij gehaast is geweest. De afwas van de avond ervoor staat er nog. Hij heeft bezoek gehad. Twee borden. Lege fles wijn. Twee wijnglazen. Stiekem kijk ik of er geen lipstick op zit. Neen. De kookpotten staan nog op het vuur. Bouillabaise. Mijn recept. Hij had de restjes wel in de ijskast kunnen doen. Misschien is het laat geworden?

Even een algemene check doen vooraleer ik aan het poetsen begin. In de badkamer ligt een hoopje kleren. Ik kan twee hemden en twee broeken ontwaren. Hoelang zou dat zich opstapelen vooraleer hij het in de wasmand gooit? Op weg naar de slaapkamer bedenk ik dat ik deze keer geen koperpoets mag gebruiken voor de cimbalen van het drumstel. Dat vond hij niet zo fijn.

Ik duw de slaapkamerdeur open. En zie twee paar verraste ogen. Twee setjes … mannenogen.

We kussen de sterren slaapwel

Ik zie je daar waar vlinders vliegen.

Waar luchtkastelen realiteit worden.

En waar altijd ook echt altijd is.

 

Mijn hart komt thuis bij jou.

Daar zijn ook mijn gedachten veilig.

En ik kan er mijn handen warmen in de jouwe.

 

We houden het simpel.

Jij bent gewoon jij. Ik blijf mij.

En samen kussen we de sterren slaapwel.

Mijn 1984

Spuuglelijk vindt ze ze. Die huizen in fermettestijl met hun kille kleuren, kleine raampjes en krullige portieken. Met hun dakpannen die een poging doen tot frivoliteit, maar de boel er alleen maar triestiger doen uitzien. En dan die kale voortuintjes met klassieke rozen. Hele straten vol. Ze wordt er een beetje somber van.

Af en toe staat er een huis tussen dat tevergeefs een nobele poging doet om de boel op te fleuren. Een vierkant blok in bloedrode bakstenen met kunststoffen ramen en een banaal puntdak. Met bloemengordijntjes en sanseveria’s op de vensterbank. En tuinen bomvol tulpen. Hele wijken verknald. Ze krijgt er een beetje hoofdpijn van.

Ze had gehoord dat ze werden getekend door architecten. Dus er zijn er meer van. Eén architect, twee architecten, misschien wel duizend architecten. En ze hebben allemaal dezelfde kleurpotloden.  Een aantal vale tinten en één rode. Slim vindt ze ze niet en ook niet avontuurlijk.

Misschien moet ze er eens heen met haar pennendoos met wel vijftig verschillende tinten aan potloden. En dan kan ze ook haar stift met touwtje meenemen. Die heeft ze gekregen van haar stiefpapa en daar kan je cirkels mee tekenen. Of halve cirkels en ze heeft ook iets bedacht voor ovaaltjes, daar is ze nog op aan het oefenen.

En dan kan ze ook haar tekeningen laten zien. Van het huis dat nergens een hoek heeft. Of het bontgekleurde appartementsblok met de zeshoekige ramen. Of misschien wel de ondergrondse muziekstudio met de glazen dakstolp. Dan kan je elk moment van de nacht de sterren zien en de maan in al zijn kwartjes of half of vol.

Maar ze kan zich ook zwarte huizen inbeelden en misschien zweven die wel in de lucht. Dan moet je via een loopbrug naar school. En er zijn ook huizen met de garage op het dak zodat je met een glijbaan terug naar beneden moet. Zo kom je in een voortuin terecht met een fontein gemaakt uit blauwe tegels waar rood water uitkomt en alle kindjes uit de buurt komen er pootje baden. Ook in de winter, want het water is warm.

En er zijn ook tuinen op daken, met bomen die eindeloos ver reiken. Waar je hemelhoge ladders nodig hebt om appelen te plukken. En waar je aardbeien van de wolken kan eten. En vanuit de hangmat kan je via de trampoline naar de buren springen. Want op hun wolken groeien frambozen en daar eet je graag je buik van vol.

Tot je mama je roept om appelflappen te eten. Dan moet je door de wolken naar beneden duikvliegen. Dus je moet een duikbril en een neusknijper op. Anders tranen je ogen en knappen je oren. Het is een zalige duikvlucht waarvan je kriebels in je buik krijgt en een oor-tot-oor glimlach. Of misschien is dat wel van de appelflappen.

De school is op een boot die de hele dag onderweg is. Als ‘s ochtends de schoolboot uitvaart, dan ziet ze auto’s drummen om de stad in te komen. Een file heet dat dan. En ze ziet ook de man met het nette pak en de sjieke schoenen op de fiets. Hij wuift altijd. Hij is vast blij omdat hij niet in de file staat. Hij wuift ook als het regent. Dan draagt hij een regenpak waarin hij helemaal verstopt zit, behalve zijn ogen en het topje van zijn neus. Toch weet ze dat hij het is, ze herkent hem aan de aktentas op de bagagedrager.

Als ze voorbij de akkers varen, ziet ze de boer suikerbiet planten in april en oogsten in november. Net op tijd voor de Sint, alhoewel ze ondertussen weet dat die niet bestaat. Zelfs vanop het water kan ze zien dat de boers gezicht nors staat als het regent, maar toch werkt hij iedere dag noest verder.

Ze weet altijd wanneer ze het kasteel naderen, dat kan ze zien aan de hekken rond de gigantische tuin. Het kasteel staat vast vol groteske vazen en gouden kandelaars en er staan glimmende auto’s in de garage. En de kasteeldames hebben wellicht meer dan honderd ringen met diamanten en oorbellen met saffieren. Dat moet natuurlijk allemaal beveiligd worden door hekken.

Er wonen veel nobelen in het kasteel. Sommigen zitten in een rolstoel met een dekentje over hun benen en anderen zingen tegen zichzelf. Een paar wiegen van links naar rechts, staand of zittend. Soms zien ze er een beetje sjofel uit, maar toch zie je dat het adel is, want ze hebben allemaal een gezelschapsdame in een wit pakje.

Er loopt iemand tot bij het hek. De schoolboot vaart net dichtbij, dus je kan zien dat het een jongen is en die probeert eerst zijn gezicht tussen de spijlers te steken en dan de rest van zijn lichaam. Het lukt niet en hij lacht hysterisch. Het lijkt zelfs een beetje op huilen. Een gezelschapsheer komt de jongen loswrikken. Dat gaat niet vlot, maar het lukt wel met de hulp van een paar anderen heren in witte pakken. Het is vast een spelletje dat de kasteelkinderen met het personeel spelen.

Op de terugweg naar de stad hoort ze de muzieknoten vanonder het stolpdak. En als ze niets hoort, dan weet ze dat de violist ’s nachts te lang naar de sterren heeft gekeken en nu lekker uitslaapt. Ze ziet de verpleegster naar het werk fietsen om vier uur. Dan is het al bijna avond, maar zij moet nog beginnen met werken. Nachtshift heet dat. Maar de verpleegster vindt dat niet erg, want ze glimlacht altijd. Misschien is ze wel verliefd op de dokter.

En dan is er het laatste huis voor de bocht, net voor het aanmeren. Het huis met een goudkleurig bordje naast de deurbel. Daarop staat met sierlijke letters “Architect”. En daar gaat ze later werken en dan neemt ze haar kleurpotloden en stift met touwtje mee.

Sprookje in 100 woorden

Doe ik nog zo mijn best om de rotte appel te spelen, toch pikt ze me eruit. En dan bewaart ze me ook niet voor de dorst. Ho maar, nee nee, onmiddellijk door de zure appel bijten. Dom wicht. Ze is nochtans niet blond.  Ze heeft gitzwart haar, een sneeuwwitte huid en rode lippen. Eén hap en ze lijkt dood, maar dat is niet zo. Hallo! Welkom in de 21ste eeuw. Geen plaats voor naïviteit, laat staan voor sprookjes. Het zijn harde tijden, maar ze is niet dood. Dat weten we allemaal. Waarom staan die zeven dwergen dan te grienen?

Het huis achter de nieuwe gracht

Hoe zou het zijn met het huis achter de nieuwe gracht? Het huis met de parkiet zonder kooi en het konijn met één oor. Het huis waar ik mijn naam kon schrijven in het stof verzameld op de schoorsteenmantel. Met de eetkamer met allemaal verschillende stoelen rond de zelfgetimmerde tafel en de spiegel die me makkelijk twee maten slanker deed lijken.

De woonkamer met het boekenrek vol gekende en ongekende, beminde en verguisde schrijvers. Waar de keukenkastjes voorzien waren van boutjes wachtend op zelfgemaakte handgrepen. Papa’s gitaar altijd op zijn vaste plek en de gele fauteuil altijd weer elders. En een kinderkamer met plafondschilderingen van wilde beesten en wollige wolken.

Het huis waar ik Madelief en Rudyard Kipling las. Waar – toen de muziek te luid ging – ik mijn neus nog dieper in de jungle stak. Soms was het mijn winkel, mijn kantoor of mijn aula en dan weer een danszaal voor mijn ballerina-carrière.

We konden naar Artis wanneer we maar wilden, om dieren te kijken. Of te tekenen. En die hingen we dan aan de muur om over ons te waken. Naast gekke zwartwit tekeningen en bronzen kronkels van andere kunstenaars.

Het leek er altijd wel een muziekstudio, vol met krakende platen en gekopieerde tapejes. Ik luisterde er naar blues en jazz en grote gitaarhelden. Naar gekende en minder gekende singer-songwriters. Met momenten was het een hotel, want ouderlijke huizen worden ineens minder interessant. Winkels en discotheken of gewoon de stad, dat was pas boeiend.

De stad waar ik leerde rolschaatsen op van die ijzeren onhandige dingen met rode wielen onder. De stad waar ik een hele zomer lang ieder weekend naar hetzelfde circus ging kijken, want de tent paalde aan de tuin. De wandelende kunstwerken en de coolste graffiti. Waar ik dacht ieder moment Doe Maar tegen het lijf te lopen of Ciske De Rat. Daar waar een automaat me een beker zoute popcorn maakte voor 1 gulden.

Met het parkje waar ik zat te wachten op de mooiste jongen van de hele wereld. Met zijn grote hond. We werden dikke vriendjes, die hond en ik. De jongen durfde ik niet aan te spreken. De stad waar mijn kleinste zus opgroeide. De stad die ons verschillend maakt en net ook weer bindt. Daar waar ik vriendschappen voor het leven smeedde.

Al 40 jaar kom ik in die stad. Alles verandert er. Alles blijft er bij het oude. Amsterdam ♥