Mijn 1984

Spuuglelijk vindt ze ze. Die huizen in fermettestijl met hun kille kleuren, kleine raampjes en krullige portieken. Met hun dakpannen die een poging doen tot frivoliteit, maar de boel er alleen maar triestiger doen uitzien. En dan die kale voortuintjes met klassieke rozen. Hele straten vol. Ze wordt er een beetje somber van.

Af en toe staat er een huis tussen dat tevergeefs een nobele poging doet om de boel op te fleuren. Een vierkant blok in bloedrode bakstenen met kunststoffen ramen en een banaal puntdak. Met bloemengordijntjes en sanseveria’s op de vensterbank. En tuinen bomvol tulpen. Hele wijken verknald. Ze krijgt er een beetje hoofdpijn van.

Ze had gehoord dat ze werden getekend door architecten. Dus er zijn er meer van. Eén architect, twee architecten, misschien wel duizend architecten. En ze hebben allemaal dezelfde kleurpotloden.  Een aantal vale tinten en één rode. Slim vindt ze ze niet en ook niet avontuurlijk.

Misschien moet ze er eens heen met haar pennendoos met wel vijftig verschillende tinten aan potloden. En dan kan ze ook haar stift met touwtje meenemen. Die heeft ze gekregen van haar stiefpapa en daar kan je cirkels mee tekenen. Of halve cirkels en ze heeft ook iets bedacht voor ovaaltjes, daar is ze nog op aan het oefenen.

En dan kan ze ook haar tekeningen laten zien. Van het huis dat nergens een hoek heeft. Of het bontgekleurde appartementsblok met de zeshoekige ramen. Of misschien wel de ondergrondse muziekstudio met de glazen dakstolp. Dan kan je elk moment van de nacht de sterren zien en de maan in al zijn kwartjes of half of vol.

Maar ze kan zich ook zwarte huizen inbeelden en misschien zweven die wel in de lucht. Dan moet je via een loopbrug naar school. En er zijn ook huizen met de garage op het dak zodat je met een glijbaan terug naar beneden moet. Zo kom je in een voortuin terecht met een fontein gemaakt uit blauwe tegels waar rood water uitkomt en alle kindjes uit de buurt komen er pootje baden. Ook in de winter, want het water is warm.

En er zijn ook tuinen op daken, met bomen die eindeloos ver reiken. Waar je hemelhoge ladders nodig hebt om appelen te plukken. En waar je aardbeien van de wolken kan eten. En vanuit de hangmat kan je via de trampoline naar de buren springen. Want op hun wolken groeien frambozen en daar eet je graag je buik van vol.

Tot je mama je roept om appelflappen te eten. Dan moet je door de wolken naar beneden duikvliegen. Dus je moet een duikbril en een neusknijper op. Anders tranen je ogen en knappen je oren. Het is een zalige duikvlucht waarvan je kriebels in je buik krijgt en een oor-tot-oor glimlach. Of misschien is dat wel van de appelflappen.

De school is op een boot die de hele dag onderweg is. Als ‘s ochtends de schoolboot uitvaart, dan ziet ze auto’s drummen om de stad in te komen. Een file heet dat dan. En ze ziet ook de man met het nette pak en de sjieke schoenen op de fiets. Hij wuift altijd. Hij is vast blij omdat hij niet in de file staat. Hij wuift ook als het regent. Dan draagt hij een regenpak waarin hij helemaal verstopt zit, behalve zijn ogen en het topje van zijn neus. Toch weet ze dat hij het is, ze herkent hem aan de aktentas op de bagagedrager.

Als ze voorbij de akkers varen, ziet ze de boer suikerbiet planten in april en oogsten in november. Net op tijd voor de Sint, alhoewel ze ondertussen weet dat die niet bestaat. Zelfs vanop het water kan ze zien dat de boers gezicht nors staat als het regent, maar toch werkt hij iedere dag noest verder.

Ze weet altijd wanneer ze het kasteel naderen, dat kan ze zien aan de hekken rond de gigantische tuin. Het kasteel staat vast vol groteske vazen en gouden kandelaars en er staan glimmende auto’s in de garage. En de kasteeldames hebben wellicht meer dan honderd ringen met diamanten en oorbellen met saffieren. Dat moet natuurlijk allemaal beveiligd worden door hekken.

Er wonen veel nobelen in het kasteel. Sommigen zitten in een rolstoel met een dekentje over hun benen en anderen zingen tegen zichzelf. Een paar wiegen van links naar rechts, staand of zittend. Soms zien ze er een beetje sjofel uit, maar toch zie je dat het adel is, want ze hebben allemaal een gezelschapsdame in een wit pakje.

Er loopt iemand tot bij het hek. De schoolboot vaart net dichtbij, dus je kan zien dat het een jongen is en die probeert eerst zijn gezicht tussen de spijlers te steken en dan de rest van zijn lichaam. Het lukt niet en hij lacht hysterisch. Het lijkt zelfs een beetje op huilen. Een gezelschapsheer komt de jongen loswrikken. Dat gaat niet vlot, maar het lukt wel met de hulp van een paar anderen heren in witte pakken. Het is vast een spelletje dat de kasteelkinderen met het personeel spelen.

Op de terugweg naar de stad hoort ze de muzieknoten vanonder het stolpdak. En als ze niets hoort, dan weet ze dat de violist ’s nachts te lang naar de sterren heeft gekeken en nu lekker uitslaapt. Ze ziet de verpleegster naar het werk fietsen om vier uur. Dan is het al bijna avond, maar zij moet nog beginnen met werken. Nachtshift heet dat. Maar de verpleegster vindt dat niet erg, want ze glimlacht altijd. Misschien is ze wel verliefd op de dokter.

En dan is er het laatste huis voor de bocht, net voor het aanmeren. Het huis met een goudkleurig bordje naast de deurbel. Daarop staat met sierlijke letters “Architect”. En daar gaat ze later werken en dan neemt ze haar kleurpotloden en stift met touwtje mee.

Advertenties

2 gedachtes over “Mijn 1984

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s