Insomnia

Zelfs als ik mijn beste Frans naar boven haal, kan ik niet uitleggen aan de agenten wat ik midden in de nacht op blote voeten in een berm vol brandnetels sta stil te staan. Doodstil. En het doet godsamme zeer. Voorraadje azijn inslaan straks. Of is het urine dat helpt tegen het prikken? Ik hoop op azijn.

Eerst leek het of ik zwom in een zacht deinende zee met de zon op mijn hoofd. In azuurblauw water met een donkergroene ondertoon. Waar je visjes kan zien zwemmen en donkere rotsen zeemonsters lijken. En toen ik terug de kant naderde en wilde gaan staan, trapte ik op zee-egels. Dat deed zo’n zeer.

Toen huilden mijn ogen van de pijn. De zee-egels bleken brandnetels te zijn, de zon een zaklamp. Nu moeten mijn ogen lachen, door de agenten. Hun gezichten, goud waard. Maar het is niet het moment om te lachen. Ze hebben een zaklamp op mij gericht en het is nu al vreselijk gênant.

Voor mij is het herkenbaar. Zoals een patroon. Mijn slaapwandelpatroon. Zeven nachten insomnia worden altijd gevolgd door een slaapwandeling. Geheid. En elk jaar als de winter op zijn einde loopt, slaat insomnia toe. Zonder twijfel. Heel af en toe is het ongelooflijk spannend, meestal hoop ik dat het bij één keer blijft.

Ik word altijd op een andere plek wakker. Deze is wel heel bijzonder. Beter dan die keer toen ik wakker werd in het hondenhok van de buurman, met de Duitse herder er nog in. Slechter dan die keer dat ik wakker werd in de hangmat van diezelfde buurman, met de knappe man er nog in. Zijn toenmalige vriendin vond het niet zo amusant.

Ik weet niet of ik moet springen om de pijn te verlichten of ik best stil kan blijven staan. Het liefst zou ik rennen, maar ik weet niet waar naartoe, en ook niet hoe. Het prikken is veranderd in jeuken. Mijn voeten zijn ondertussen vast disfunctioneel. Ik kijk zo uit naar azijn.

De agenten lijken ook niet te weten wat of hoe. Ze blijven staan met de zaklamp op mij gericht. Ik moet ze uitleggen dat dit is wat een lange winter met me doet. Dat geen enkele dokter me kan helpen, ook niet die van de slaapkliniek. Daar lag ik met draadjes op mijn hoofd en een band rond mijn borstkast. En ik sliep er als een roos.

Ik houd mijn handen halfslachtig in de lucht. Tussen een ik-weet-van-niets houding en wat boeven doen als de politie een pistool op hen richt. Ik zoek naar de juiste woorden in het Frans. Insomnia. Dat klinkt alsof dat in alle talen hetzelfde is. Ik zeg het luidop. Insomnia. De zaklamp schijnt in mijn ogen dus ik kan hun gezichten niet goed zien, maar ik denk dat ze met hun ogen rollen. Ze geloven me niet. Echt hoog tijd dat ik een bredere vocabulaire leer. Hoelang woon ik nu al in Brussel?

De lichtstraal verlaat mijn gezicht en schijnt voorbij mij. Daar is nog iemand. De agenten kennen hem en groeten hem. Zo toereikend is mijn Frans wel. De man zegt welgeteld drie woorden tegen de agenten, neemt me op en draagt me weg van het netelveld. “Is het weer die tijd van het jaar?” vraagt ie in het Nederlands en hij fluit. De Duitse herder komt aangerend en leidt ons richting huis.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s