Insomnia, deel 33

Als ik thuis kom ligt de envelop, met de sierlijke letters die zoenoffer vormen, op de grond. Ik raap ze op en hou ze tegen mijn borstkast aan, tegen mijn hart. In de koelkast ligt altijd een fles champagne voor noodgevallen. Dit is een noodgeval.

Ik bel aan bij Sam en hou de fles champagne en de schets voor me uit als hij opendoet. Ik wil sorry zeggen, maar ik krijg geen klank mijn strot uit. Sam zwijgt ook, maar neemt me vast, ruikt aan mijn haar en kust mijn nek. Zonder een woord te wisselen, wandelen we naar zijn keuken. Daar word ik gegroet door Leon en dat breekt het ijs een beetje.

“Het is geen dag voor champagne,” begint Sam, waarop ik antwoord dat elke dag champagne verdient mocht het niet zo duur zijn. Hij lacht niet en ik voel me stom. Er hangt een rare sfeer. Sam is duidelijk blij mij te zien, maar hij is niet blij op zich.

“Het spijt me van gisteren,” zeg ik dan maar, “dat ik heb geschreeuwd en ben weggelopen.” Sam staart naar de vloer. “Maar ik begrijp niet waarom jij en je zus zoveel bellen en sms’en,” ga ik verder. “Ik had mij voorgenomen dat rustig aan te kaarten, maar ik vond niet het juiste moment en gisteren was de spreekwoordelijke druppel.”

Sam staart nog steeds naar de vloer. Ik zie aan zijn houding dat er woorden klaar zitten voor hun moment van openbaring. Zit ik ze in de weg door zelf te praten? Of kan ik ze misschien naar buiten lokken? Ik besef dat ik hem helemaal niet goed ken. Dat ik nog steeds met dezelfde vragen zit als een paar weken terug. Is het litteken boven zijn oog van het auto-ongeluk? En als het een auto-ongeluk was, waarom heeft hij dan vliegangst en geen angst van autorijden? Ik heb het opgezocht en er bestaat zelfs een woord voor: amaxofobie. Maar dè vraag is natuurlijk: hoe zit dat met hem en zijn zus?

Hij zet zijn voeten dichter tegen elkaar, hij recht zijn schouders en kijkt me aan. Resoluut en wilskrachtig. Nog meer dan ik gewend ben van hem. Ik voel me tegelijkertijd benauwd en benieuwd. “Herinner jij je nog de roofmoord op een juwelier in Elsene een paar jaar terug?” vraagt hij, “want ik anders wel.” Mijn benauwdheid wint het van mijn nieuwsgierigheid. Wat heeft dit met zijn zus te maken?

“Leon is niet zomaar hier. Ik was niet zomaar in Sint-Gillis-Waas. Ik was niet zomaar in Leuven. En ik heb niet zomaar veel contact met mijn zus.” Ik heb de woorden uitgelokt, maar ik weet niet wat ze betekenen en ik weet ook niet welke vragen ik moet stellen om het te begrijpen. “Mijn broer kan niet meer voor Leon zorgen omdat hij eerst in Sint-Gillis zat en sedert kort in Leuven. In de gevangenis. Voor roofmoord.”

Ik hap naar adem.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s