Gezocht

Ik kan de rit van Antwerpen naar Amsterdam – spreekwoordelijk – blindelings rijden. Maandelijks bezoek ik mijn zus die er woont. Ik weet exact hoe lang de rit duurt en waar en wanneer zich files vormen. Zowel op weekdagen als in het weekend. Ik ken de tankstations met de beste koffie en ik weet alle flitspalen staan.

Eens aan hotel Breukelen – een potsierlijk hotel in Chinese stijl dat in schril contrast staat met zijn naam – eens daar, weet ik dat ik er bijna ben. Dan moet ik nog de lange brug over, de Piet Heyntunnel door, langs Brouwerij ‘t Ij en dan ben ik er.

De rit duurt een uur en vijfenveertig minuten, exclusief file, inclusief plaspauze. Maar afgelopen weekend liep het anders. Toen ik aan de andere kant van de Piet Heyntunnel kwam, stond er een politieblokkade. Aan het begin van de tunnel gaf een knipperend digitaal verkeersbord bevel mijn snelheid aan te passen en werden drie rijstroken, twee en uiteindelijk één.

Het leek of de politie alle voertuigen scande, maar niemand moest aan de kant. Niet de BMW die me net voor de tunnel nog rechts had ingehaald waardoor ik hard op de rem moest gaan staan en “klootzak” riep. Niet de opgepompte Clio met veel te luide muziek. Niet de sjofele bestelwagen zonder achterbumper en afgebroken zijspiegel.

Toen ik ter hoogte van twee politieagenten kwam, werd ik aangemaand te stoppen. Alhoewel ik niets mispeuterd had, ging mijn hartslag toch een slagje sneller slaan. Ik werd vast een beetje rood in mijn gezicht en door de zenuwen vergat ik mijn versnelling in stilstand te zetten, waardoor de auto naar voor schoot toen ik de koppeling losliet. Ik miste op een haar na één van de politieagenten.

De oudste agent deed teken dat ik mijn raampje moest opendraaien. Uit nervositeit drukte ik op de verkeerde knop en het raampje achteraan ging open. Ik lachte schaapachtig. Bij de tweede poging ging het goed. Er werd naar mijn naam gevraagd en naar de boordpapieren. Toen ik het boekje met alle paperassen uit het kastje haalde, viel het uit mijn handen op de vloer van de auto.

Ik staarde naar de ravage van verspreide documenten en vroeg aan de oudste agent welke hij precies nodig had. “Het inschrijvingsbewijs,” zei de man nors. Ik verzamelde alles vanop de vloer en keek naar de titels. Het was het gele document.

De agent bekeek het inschrijvingsbewijs aan beide kanten. Tweemaal. Hij overlegde met zijn collega en samen stapten ze de combi in. Ik zag er eentje bellen en de andere ging met de laptop aan de slag. Ze gesticuleerden meer en meer.

De twee agenten stapten naar de voorkant van mijn wagen. De jongste agent ging door zijn knieën zodat hij grotendeels achter de motorkap verdween. Aan de beweging van zijn schouder leek het of hij zijn hand uitstak, richting nummerplaat. De oudere agent nam een zakdoek uit zijn broekzak en reikte die aan zijn collega. Die nam de zakdoek aan, spoog erop en ik kreeg de indruk dat hij mijn nummerplaat begon op te poetsen. Wat moest ik daar nou van denken?

De oudere agent kwam terug naast het opengedraaide raampje staan en vroeg me wat mijn nummerplaat is. Ik zei: “1 DEY 735.” En dacht: ‘Idioot, je stond er net met je neus op.’ Het inschrijvingsbewijs werd me terug overhandigd en ik kreeg te horen dat ik mocht vertrekken. Ik begreep er niets van en op mijn vraag voor wat uitleg kwam een: “Mevrouw, u mag beschikken.” Ik dacht: ‘Hollanders zijn toch echt een beetje gek. En arrogant.’

Later op de avond, op de bank bij mijn zus, keek ik naar het laatavondjournaal. Het eindigde met een opsporingsbericht: “Gezocht, bestuurder van de auto met Belgische nummerplaat 1 DFY 735 of getuigen die de auto hebben gezien.”

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s